|
| |
|
|
Hoofdstuk II
Israëlieten,
Levieten en het Priesterdom.
|
|
Het
is van gewicht, dat wij niet alleen een duidelijk inzicht krijgen in de bouw van de
Tabernakel en van diens meubelen en van
de zinnebeeldige betekenis daarvan, maar ook iets weten van degenen, die daarin een rol
spelen en wat zij zinnebeeldig betekenen.
|

|
In
vele gevallen wordt Israël gebruikt als zinnebeeld van de Christen
Gemeente, bijv. toen de Israëlieten
uit de Egyptische
slavernij
trokken, in welke hoedanigheid zij een zinnebeeld waren van Gods
kinderen, die Zijn roer hoorden om uit de wereld uit te gaan
en
zich met Zijn dienst bezig te houden. |
De
reis door de woestijn stelde voor de vermoeiende pelgrimstocht,
welke velen moeten ondernemen bij het zoeken naar de beloofde Canaän-rust: “Komt herwaarts tot
Mij en Ik zal u rust geven”. Zoals
in het zinnebeeld, zo is het ook in de werkelijkheid, het beloofde Canaän der ruste ligt
niet ver, als Gods kinderen genoeg geloof
hebben om op te trekken en onmiddellijk door geloof binnen te gaan. God heeft voor hen
overvloedige voorziening getroffen
doch zij
trokken nog steeds door de Woestijn van Sin (Zonde) op zoek naar
rust en deze toch niet vindend, daar hun geloof in Gods beloften
hen ontbreekt. Zo trokken sommigen een lange tijd en weer anderen
gaan de Canaän-rust
nooit in vanwege het ongeloof.
|

|
Doch
ofschoon Israël
naar het vlees op deze en andere manieren gebruikt wordt om
het Geestelijk Israël af te schaduwen, verschilt het nu bij
ons onderzoek met betrekking tot de Tabernakel geheel en al.
In dit opzicht stelde Israël ongetwijfeld de ganse wereld
der mensheid voor.
Het
zoenoffer, de offerande, de verzoening enz. zinnebeeldig
voor hen
(en voor hen alleen) gemaakt,
waren schaduwen van de “betere offeranden”
en verzoening
gemaakt ten bate van de gehele
wereld; want
zo lezen wij: “Hij is een verzoening
voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook
voor de zonden der gehele wereld”. –
l Joh. 2:2; Petr. 9:23. |
Kort
gezegd,
Israël was evenals de Tabernakel, Priesters, Levieten
en offeranden een zinnebeeld. En wat aldaar geschiedde, symbolisch voor en met Israël, is
sinds de eerste komst van Christus in hogere betekenis uitgevoerd
en ook in veelomvattender zin, daar dit laatste de werkelijkheid
was, waarvan het vorige het zinnebeeld of de
schaduw vormde.
Zoals
Israël de wereld voorstelde, stelt de stam van Levie de
“huishouding des geloofs” of alle gelovigen in Jezus en Zijn rantsoen voor. Het Priesterdom,
één lichaam onder de Opper- of Hogepriester
was een zinnebeeld van het “kleine kuddeke”. dat met zijn “Hoofd” of Hogepriester
een Koninklijk Priesterdom vormt, welks leden
na de huidige tijd van offerande, Gode koningen en priesters
moeten zijn en over de aarde
heersen. (Openb. 5:10). Zo beschouwd zien
wij Jezus de Hogepriester
niet als een priester naar de orde van Aäron,
welke maar het zinnebeeld was van een
De
hogepriester
in kleren zinnebeeldig voor Christus’
Toekomstige heerlijkheid
[8] grotere en grootsere belijdenis of orde, maar als
het Hoofd van het ware priesterdom, van hetwelk de andere slechts
schaduwen waren (Hebr. 3:l; 4:14). Het Aäronische priesterdom
stelde hoofdzakelijk de vernedering en het lijden van Christus voor en in mindere mate Zijn toekomstre
heerlijkheid, daar Melchizedek het zinnebeeld was van de Christus als een Koninklijk Priesterdom.
|

|
Maar voordat de onderpriesters, de leden van het
Lichaam van Christus, het Koninklijk Priesterdom, verenigd zullen
worden met hun Hoofd en hun heerschappij
aanvangen, moeten zij “met Hem lijden”,
deelnemen aan de tegenwoordige offeranden, zoals wij heel spoedig
zullen zien. –
2 Tim. 2:12. |
De
Apostel Petrus toont aan, wie afgebeeld werden door de Aäronische
priesters, wanneer hij, sprekende tot degenen, die geheiligd
waren, zegt: “Gij wordt . . . een heilig priesterdom
om offeranden op te offeren, die aangenaam zijn door Jezus
Christus”. “Gij zijt . . . een koninklijk
priesterdom”. (l Petr. 2:5, 9). Zij zijn allen
dienaren der waarheid, ofschoon niet allen predikers en doctors in de godgeleerdheid zijn en dus moet een
ieder zijn deel bij de zelfopoffering
verrichten, alvorens hij waardig gerekend kan worden medeerfgenaam
met Christus te zijn. Allen die met hem lijden, zullen volgens de belofte met hem heersen.
–
Rom. 8:17.
Bij
herhaling vermelden de Apostelen, dat het “Hoofd” of
de Hogepriester van dit priesterdom, dit
“kleine kuddeke”, onze Here Jezus is. Wij volstaan met slechts
één aanhaling: “Heilige broeders, (“het koninklijke priesterdom”),
die der hemelse roeping
deelachtig zijt, aanmerkt de Apostel en
Hogepriester onzer belijdenis, (onzer priesterlijke orde,
te zijn), Christus Jezus”. –Hebr. 3:1.
Wanneer
wij nu overgaan
tot de beschouwing
der instelling
van het zinnebeeldig priesterdom, merken wij, dat de
stam der Levieten. (zinnebeeldig voor al de gerechtvaardigde gelovigen) bestond voor het priesterdom werd ingesteld.
|

|
In
het tegenbeeld begon het “Koninklijke Priesterdom” met de
zalving van Jezus. de Hogepriester (bil de doop, Hand. 10:38;
Luc. 3:22), maar gelovigen, gerechtvaardigd door geloof in Christus, hadden lang voor dien geleefd.
Bij
voorbeeld Abraham geloofde in God en werd
door zijn geloof gerechtvaardigd. (Rom. 4:2, 3).
Ofschoon zelfs het zinnebeeld in zijn dag nos niet gekomen was, behoorde
Abraham, als gerechtvaardigde gelovige, tot de “huishouding des geloofs”, door de
Levieten afgeschaduwd. Doch geen van het “Koninklijk
Priesterdom” werden uitverkoren, dan na de inlijving en bevestiging in ambt van de Opperof Hogepriester dezer orde. Van toen af aan werd de
inwijding en bevestiging
van de onderpriesters
het bijzonder werk van deze Christelijke bedeling
of Evangelische
eeuw. |
Zo worden de priesters die zich
nu wijden ingeleid
en stelden zich als offeranden om toebereid te
worden als Gods hulpmiddelen voor het vorstenhuis van het
Koninkrijk en dus voor het zegenen van al de geschlachten des aardrijk.
Het
Priesterdom.
Het
is opmerkenswaardig, dat bij elke ceremonie in verband met de wijding en het werk van het
priesterdom de Hogepriester
de eerste plaats innam: dit geldt ook
voor het tegenbeeldje priesterdom, Jezus was de eerste
–
de Leider, Overste, Voorloper
– wat duidelijk aangeeft,
dat niemand was voorgegaan.
|

|
Daarom
behoort geen der patriarchen
of profeten tot het “kleine
kuddeke”, het “koninklijk priesterdom”, of “de bruid”,
“de Vrouw des Lams”. Ofschoon zij als [9] Gods dienaren een grote zegen zullen krijgen, zal hun dienst niet zo verheven zijn als die
der priesters, noch hun eer zo groot, desondanks, zoals weergegeven wordt door de
Levieten, zullen hun toekomstig werk en eer naar alle
waarschijnlijkheid groot zijn.
“Het smalle pad ten leven” (onsterfelijkheid) werd
niet aan het licht gebracht vóór Jezus kwam. Hij moest het
eerst daarover gaan. Hij beeft “het
leven en de onverdervelijkheid aan het licht gebracht”. (2 Tim. l:10) |
En ofschoon alle getrouwe gelovigen (Levieten) in het bezit van het eeuwig
leven zullen geraken, zo ook de wereld (weergegeven door de Legerplaats van Israël), zo
zij dit willen aanvaarden in de Duizendjarige Eeuw, toch
zal alleen het priesterdom, dat overwon en de Leider op het smalle
nad ten leven volgde: de menselijke belangen opofferde, en zo streefde naar eer, heerlijkheid en
onverderfelijkheid (Rom. 2:7) in het bezit raken van die onbeperkte mate van leven, welke
onverdervelijkheid genaamd wordt en welke in den beginne slechts in
het bezit was van Jehovah God en na Zijn opstanding van onze Here
Jezus Christus. –Zie “Het Goddelijke Plan der Eeuwen”,
Hoofdstukken 10 en 11.

De
Zalving.
Onder
de Wet was de zalving de ceremonie, waardoor de priesters in hun ambt bevestigd
werden. Zij werden voor bun ambt gezalfd met een
bijzondere zalfolie, de “Heilige Zalfolie” genaamd en slechts gebruikt voor de priesters,
daar het onwettig was, dat iemand anders deze
maakte of bezat. (Ex. 30:26-33, 38). Deze olie stelt voor de heilige Geest der aanneming,
waardoor wij, het ware “Koninklijke Priesterdom”
verzegeld werden als kinderen Gods. Slechts de gewijden, de priesters, werden ooit
gezalfd.
Aäron,
de zinnebeeldige Hogepriester, stelde Jezus, het
Hoofd, en de Gemeente als leden van het lichaam: de grote
tegenbeeldige Hogepriester
voor. Daar hij een zondig mens
was, zoals alle anderen, moest hij zich wassen
om op gepaste wijze de reinheid weer te geven van het tegenbeeld:
Jezus, die geen zonde kende en Zijn gemeente,
gereinigd door Zijn dierbaar
bloed en het wassen des water door het Woord. –Ef. 5:26.
|
Na
gewassen
te zijn, werd Aäron gestoken in de heilige gewaden
van “heerlijkheid en sieraad” (Ex. 28) en ten laatste
werd de zalfolie op zijn hoofd uitgegoten.
(Ex. 29:7).
Elk
stuk van dit heerlijk gewaad was een zinnebeeld van de
eigenschappen en machten van de Grote Verlosser, Hoofd
en Lichaam, zoals Jehovah dat zegt bij
het blikken in de toekomst tegen de tijd van “de openbaring
der Zonen
Gods” en in hen de vervulling van zijn beloften. |
De Hogepriester in Gewaden,
welke Zinnebeelden zijn van
“Heerlijkheid en Sieraad”.

“Dit
nu zijn de klederen: een borstlap en een efod en een mantel
en een rok vol oogjes, een hoed en gordel”. – Ex. 28:4. |
De
witlinnen “rok met oogjes” gaf
de reinheid van de Hogepriester
weer, terwijl die oogjes (borduurwerk) de uitwerking van dat reine karakter door
barmhartige werken aanduidde.
De
“hoed” (mijter), een stuk fijn wit linnen (zinnebeeld van
rechtvaardigheid)
om het voorhoofd geslagen en waarom de gouden plaat
of “kroon” bevestigd was met een hemelsblauw snoer, waardoor
aangegeven werd, dat de kroon hem rechtmatig toekwam.
In die
gouden plaat was gegraveerd: “de Heiligheid des Heren” [10]
op deze manier te kennen gevende: Deze Hogepriester is geheel en al gewijd aan het ten uitvoer
brengen van Jehovah’s
plannen. De gouden kroon maakte tevens zijn
koningschap bekend: “Christus zal zijn een
Priester op Zijne troon”. “Priester in der eeuwigheid naar de ordening
Melchizedeks”. – Zach. 6:13; Ps. 110:4; Hebr. 7:17.
De
“linnen gordel” wees op een rechtvaardig
linnen, rechtvaardigheid;
gordel, dienstbaarheid.
De “mantel” n van hemelsblauw gaf
zijn trouw te kennen. De zoom daarvan
werd gevormd door gouden bellen en granaatappelen. De granaatappel
was een keurvruoht en toonde aan, dat de getrouwe uitvoering van het offerwerk des Heilands rijke vrucht gedragen
had: het wederkopen van het verspilde leven van het
mensengeslacht. De gouden
bellen duiden aan, dat wanneer onze Hogepriester in heerlijkheid
en schoonheid verschijnt, de vrucht van Zijn offerwerk aan allen
getoond zal worden: al den volke verkondigd, zoals in het beeld
de bellen dit aan gans
Israël deed. Dit wordt aangegeven
door de dicht nabuurschap; de bellen vestigden de aandacht op het
fruit.

De
“efod” was vervaardigd uit linnen van purper, hemelsblauw, scharlaken, witte en gouden
draden, die kunstig en schoon ineengeweven
waren. Hij bestond uit twee delen; het ene deel hing aan de voorzijde en het andere deel
over de rug. Deze twee delen werden
aan elkaar bevestigd door twee gouden schouderbanden die op de schouders
rustten.
De
Efod verzinnelijkte de twee grote verbonden: Het Abrahamitische
Verbond werd voorgesteld
door het frontstuk en het Nieuwe Verbond
door het rugstuk, welke beide, zoals aangegeven wordt, afhankelijk waren van onze Hogepriester. Deze beide
verbonden waren op hem gelegd.
Zo hij te kort schoot deze te steunen, de voorwaarden en eisen niet uitvoerde, zouden zij neervallen: mislukken. Maar
Gode zij dank. Deze verbonden zijn verenigd en stevig
bevestigd aan Hem door
de gouden schouderbanden (gespen),
(goddelijke kracht) en
tevens op hem gebonden door een “kunstige
riem”: een gordel
gemaakt
als hetzelfde materiaal als de efod.
|

|
Deze
“Kunstige Gordel” schijnt te zeggen: Dit is een dienaar
en daar die riem bij de efod
behoort geeft hij te kennen, dat deze dienaar:
“de
Engel
(dienaar) des verbonds, aan welke Gij lost hebt”, is – Mal.3:1.
Het ene deel van de Efod, dat het Nieuwe Verbond
voorstelt, werd op Celvaria gewaarborgd, want was de dood
onzes Heren niet: “het bloed des Nieuwe
Testaments”, waarin wij gemeenschap hebben als Zijn leden?
–
Math. 26:28; 1 Cor. 10:16. |
Het
andere deel is nog niet voltooid, behalve in de zin, waarin de Hemelse Vader dezelfs
vervulling in de toekomst ziet, want het
Abrahamitische Verbond maakte de belofte van (beloofde) de ontwikkeling van het zaad van
Abraham, door hetwelk het Nieuwe Verbond al
de volke zegenen zal en dit zaad ie nog niet voltallig. Voorwaar, onze Here Jezus is het
Zaad, toch voorzag en voorspelde God het
groter Zaad geestelijk, hetwelk ook omvat het Lichaam, de Gemeente met het Hoofd. (Gal.
3:16, 29) Bovendien toont de Apostel
aan, dat een aards zaad van Abraham aan het werk ter
zegening
der wereld deelnemen zal, doch
geestelijk Israël is het ware zaad, daar er
geschfeven staat: “De zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met
de zoon der vrije”. – Gal. 4:22-31.
Wat
betreft het natuurlijke zaad van Abraham en ten bewijze, dat dit nooit tot leden van de
priester gerekend kan worden, die de
zegening zal verrichten, zegt de Apostel: “Zo zijn zij (het letterlijk
[11] zaad) wel vijanden wat aangaat het evangelie (het geestelijk deel van het Verbond),
om uwentwil, maar wat aangaat de verkiezing zijn zij (nog steeds) beminden, om der vaderen wil; want de
genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Want dit is Mijn
Verbond met hen: De Verlosser (deze grote
Hogepriester,
de Dienaar van het Verbond:
Jezus, het Hoofd en het “Kleine Kuddeke”, “Zijn
Lichaam), zal uit Sion (de geestelijke
Gemeente) komen, en zal de
goddeloosheden afwenden van Jacob.” Zij zullen het eerst
gezegend worden door
het geestelijke
of ware Zaad en later medearbeiders worden. –Rom.11:26-29.
|

|
Wanneer
dus het Lichaam van Christus, het geestelijke “Zaad” voltallig zal maken, dan moet
de bijkomstige belofte Abraham gedaan over
een aarde zaad in vervulling gaan; het natuurlijk moet zo talrijk worden “als het zand
aan de oever der zee”, –
terwijl het hemelse zaad vergeleken wordt met de “sterren des hemels”. (Gen. 22:17.) |
Eerst
moeten zij gebracht warden tot gerechtigheid en waarheid en dan zullen zij een
middel zijn waardoor het geestelijk zaad bij
de beloofde zegening van alle mensen zal optreden met waarheid en
genade.
Het
scharlakenrood, hemelsblauw, purper enz. waaruit de efod was samengesteld, wezen op de
voorwaarden der twee Verbonden. Het scharlakenrood toont aan hoe God in de verlossing van de Adamitische
vloek heeft voorzien door het bloed van het rantsoen. Het witte
linnen geeft de wederherstelling
van de mens tot zijn oorspronkelijke reinheid weer. Het hemelsblauw
waarborgt hem de hulp, de kunde
en de trouw, om zijn rechtvaardig
karakter te handhaven. Het
purper verkondigt de
koninklijke macht van het Koninkrijk, dat medewerkt. Al deze zegeningen
waren ineengeweven en werden gewaarborgd
door de goddelijke macht van de gezalfde Priester, hetgeen weergegeven
wordt door de gouden draad, welke als inslag dient. Zo
heeft Jehovah deze beide verbonden zover als zij betrekking hadden
op de mensen iemand opgelegd, die, beide machtig
en bereid was om deze heerlijke verbonden zegeningen ten uitvoer te brengen, –
“ter bestemder tijd”.
|

Borstlap des Gerichte
|
De
“Borstlap des Gerichte” was bevestigd aan de voorzijde
van de Efod. Hij was door middel
van twee ketentjes bevestigd aan de schouderbanden
op de schouder en bovendien aan de Efod door een snoer,
gaande door gouden ringen vastgemaakt: Deze bevestiging was zodanig
verstopt, dat de oppervlakkige beschouwer zou denken, dat de borstlap een deel van de Efod was (Ex.
28:26-28). Op schone wijze
beeldde deze borstlap de Wet af. Zij was geen deel
van het Abrahamitische Verbond (Efod), maar “zij is
daarbij gesteld” (Gal. 3:19). |
Zoals de Israëliet ze beschouwde ( daar hij de
verborgen verbinding
niet zag), waren het Verbond aan Abraham en “de Wet, die 430 jaren later gekomen is”, één. Maar Paulus toont
aan, dat God twee zaden op het oog had, n.l. het
Geestelijke en het Vleselijke en
dat het Verbond en de Wet verschillend waren “ten einde de belofte
vast zij al den zade; niet alleen dat uit de Wet is, maar ook
dat uit het Geloof is”. –
Rom.4:16.
Dit
Wetsembleem (de borstlap) was het schoonste van de gewaden
des Hogepriesters. Hij was gemaakt van dezelfde materialen als de Efod. Hieraan waren
bevestigd de twaalf edelgesteenten in goud
gevat
en waarin de namen van de twaalf stammen gegraveerd waren.
|

|
Het
was op zijn hart gebonden,
wat aangaf, dat deze hem dierbaar
was. Hij bedekte zijn hart als een “borstlap des gerichte”.
Hetgeen
alle onvolmaaktheden veroordeelde, was hem een welbehagen:
“Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen,
en Uw wet is in het
midden van mijn ingewand”. – Ps.40:9. |
Deze
borstlap was twee spannen lang en één span breed en in. het midden dubbel gevouwen, dus
wanneer hij in tweeën gevouwen was, bedroeg
zijn lengte
één span en zijn breedte één span. De maat, één span, toonde aan, dat Gods Wet het
kunnen van een volmaakt mens volledig eiste. Daar de mens
Christus Jezus volmaakt was, was Hij
de enige persoon, die de volmaakte Wet Gods onkreukbaar hield, terwijl zij, die “het kleine
kuddeke”, Zijn Lichaam vormen, Zijn gerechtigheid
toegerekend krijgen en derhalve naar waarheid kunnen zeggen:
“de gerechtigheid der Wet is in ons vervuld”.
Dat
hij dubbel was, en de delen even groot, is een voorstelling van de letter en de geest
der Wet. In het voorste gedeelte zaten de edelstenen
en was met de gouden
keten bevestigd aan de schouderbanden
van de Efod. Het onderste gedeelte, vastgemaakt aan de Efod (Verbond), schijnt een weergave te zijn van de
letter der Wet, zoals gegeven aan vleselijk Israël.
|

|
Het
voorste gedeelte is blijkbaar een
voorstelling van de geest der Wet, in ons vervuld, “die niet naar het vlees wandelen maar naar de geest”.
(Rom. 8:4). Goed gezien zijn die twee delen
in werkelijkheid één, toch draagt alleen het voorste stuk de kostelijke
stenen. |
Daar zuiver goud het symbool is van goddelijke dingen,
wil het afhangen van dit deel der Wet aan een gouden keten
bevestigd van de gouden schouderstukken zeggen, dat de Wet
goddelijk is en wij weten tevens, dat wij door goddelijke hulp kunnen wandelen niet naar het vlees, maar naar de geest.
Dit deel van de Wet, hetwelk de “edelstenen in goud
gevat”
draagt, stelt voor het ware Israël, des Heren “kleine kuddeke”.
“Te dien dage, zegt de Here der Heirscharen, zullen zij het Mijne zijn, wanneer Ik Mijn
edelstenen zal vergaren”. (Mal. 3:17, Eng. vert.) Zo gevat
in goud (de goddelijke natuur) en getorst door de gouden keten der
goddelijke
beloften baart het geen verwondering, dat “het recht der Wet in ons vervuld
zal worden” –Rom.
8:l-4.
Zoals Aäron daar stond, gekleed in die
schone betekenisvolle gewaden en gezalfd met de
heilige Olie, stelde zijn hoofd, Jezus, het Hoofd van het
Priesterdom, voor en zijn lichaam de Gemeente, volmaakt in Christus. Hoe indrukwekkend en vol van
betekenis is dit beeld van’s
wereld Hogepriester,
Die onbezoedeld is en bekleed met macht en gezag
om Jehovah's verbonden te vervullen!
|

De
Onderpriesters –
“Het Lichaam”. |
Wij zien het lichaam of leden van de Hogepriester
nogmaals persoonlijk afgebeeld door de onderpriesters, die een
“muts” droegen, om aan
te tonen, dat zij niet het hoofd waren van het Priesterdom, maar
slechts een lid van het Lichaam. God heeft Jezus “der
Gemeente gegeven
tot een Hoofd boven alle dingen, welke Zijn
lichaam is”. (Ef. l:22, 23). |
Uien
dezen hoofde betoogt Paulus, dat het hoofd van een vrouw
bedekt moet zijn als een aanwijzing, dat zij niet het hoofd is,
daar vrouw en man beelden zijn van de Bruid en Jezus, de Gemeente
der Eerstgeborenen.
De
Onderpriesters –
“Het Lichaam”.
Wij zien het lichaam of leden van de Hogepriester
nogmaals persoonlijk afgebeeld door de onderpriesters, die een
“muts” droegen, om aan
te tonen, dat zij niet het hoofd waren van het Priesterdom, maar
slechts een lid van het Lichaam. God heeft Jezus “der
Gemeente gegeven
tot een Hoofd boven alle dingen, welke Zijn lichaam
is”. (Ef. l:22, 23). Uien dezen hoofde betoogt Paulus,
dat het hoofd van een vrouw
bedekt moet zijn als een aanwijzing, dat zij niet het hoofd is,
daar vrouw en man beelden zijn van de Bruid en Jezus, de Gemeente
der Eerstgeborenen.
De
onderpriesters waren gekleed met linnen klederen en droegen
gordels. Hun klederen gaven de gerechtigheid van Jezus, welke hun toegerekend
was, weer, terwijl hun gordels hen voorstelden als dienaren van gerechtigheid. Ten
tijde der offerande (de Verzoendag) droeg de Hogepriester soortgelijke klederen en na
verzoening gedaan te hebben trok hij de heerlijke gewaden aan.
De
Zalving
van de Priester.
Evenals de heilige olie op Aärons hoofd werd uitgegoten, zo werd ons Hoofd, de Here
Jezus, gezalfd met de tegenbeeldige olie – de Heilige Geest – toen Hij dertig jaar oud was bij de oevers van de Jordaan ten tijde
van zijn wijding. Aldaar werd hij “met
de vreugdeolie boven zijn
broederen gezalfd als Hoofd over zijn mede-erfgenamen”.
Een mate van geest wordt aan elk lid gegeven, dat zich wijdt: doch Jehovah gaf “Hem de Geest niet met mate”. (Joh. 3:34.) Johannes zag en getuigde,
dat onze Hogepriester zo gezalfd was
en hieraan voegt
Petrus zijn getuigenis
toe: “Hoe hem God gezalfd
heeft (Jezus van
Nazareth) met de Heilige Geest en met kracht”. – Joh. l:32; Luc.
4:l; Hand .10:38.
De
zalfolie werd slechts op het hoofd uitgegoten. De onderpriesters werden niet Persoonlijk gezalfd.
Zij werden gerekend
te zijn leden van het lichaam van de
Hogepriester en kregen hun zalving slechts door hem als hun hoofd.
Zo zijn de tegenbeeldige
priesters maaar deelhebbers aan de Geest van Christus en slechts
zij, die in Christus Jezus zijn hebben deel
aan de zalving, welke allen verzegelt, die willen worden aangezien
ais erfgenamen van Gods beloften en
mede-erfgenamen met Chritus Jezus hun Heer. –
Ef. 1:13, 14; 4:30.
|

|
De
olie, “die nederdaalt tot de zoom zijner (des Hogepriesters)
klederen” (Ps. 133:2) gaf weer, hoe al de leden van
Christus’ lichaam deelnemers worden aan
dezelfde zalving na hun Hoofd. “De zalving,
die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u”. (1 Joh. 2:27) Deze olie bereikte het Lichaam op
Pinksteren en daalde door de Evangelische eeuw
neder, allen zalvende, die waarachtig gedoopt waren in Christus, en maakte ze met hun
Hoofd, Gode tot koningen en priesters om duizend jaren te regeren.
– Openb. 20:6. |
Zo
zien wij, dat Aäron, gekleed
en gezalfd
een weergave was van de gehele Christus - het voltooide
Zaad van Abraham, door hetwelk God
op het punt staat alle geslachten des aardrijks te zegenen. Doch men verlieze niet uit het oog,
dat wij de Grote Verlosser van Gods standpunt
uit hebben beschouwd en dus hebben geblikt in de tijd van Zijn openbaring:
het aanbreken van de Duizendjarige Dag, wanneer
alle leden in het lichaam geplaatst zullen zijn en de
“heilige olie nedergedaald zal zijn”
“tot op de zoom zijner klederen”, elk lid
zalvende (Lev. 10:7).
|

|
Dan
zal Hij aanvangen
met het zegenen
der mensen. Om deze
heerlijke regering
van deze Koninklijke Priester bidden wij voortdurend: “Uw
Koninkrijk kome, Uw wil geschiede
op de aarde.” |
Table
of Contents
- Preface
- Chapter
1 - Chapter
2 - Chapter
3 -
Chapter 4 - Chapter
5 - Chapter
6 - Chapter
7 - Chapter
8 - Index
Return
to English Home Page |
|
|