Studies in the Scriptures

Tabernacle Shadows

 The PhotoDrama of Creation


 


Hoofdstuk VIII.

Andere veelbetekenende Zinnabeelden.

 

In de voorgaande beschrijving hebben wij met opzet een verklaring van sommige belangwekkende onderdelen weggelaten, die thans beter kunnen begrepen worden door hen, die, door nauwgezette studie, een helder begrip hebben gekregen van de algemene schets van de Tabernakel, deszelfs diensten en deszelfs zinnebeeldige betekenis.

De posten die in de "Hof" stonden en de witte gordijnen ophielden, steltgen voor de gerechtvaardigde, gelovigen; de "Hof" stelde voor, zoals wij gezien hebben, de gerechtvaardigde toestand. De posten waren van hout, een vergankelijk materiaal, aldus aanduidend, dat de verzinnelijkte klasse niet werkelijk volmaakt was als menselijke wezens; want daar de menselijke volmaaktheid zinnebeeldig werd voorgesteld door koper, hadden die posten gemaakt moeten zijn van koper, of bedekt met koper, om werkelijk volmaakte wezens voor te stellen. Doch ofschoonn zij gemaakt waren van hout, werden zij toch gezet op voetstukken van koper, hetgeen ons leert, dat ofschoon zij in werkelijkheid onvolmaakt waren, hun positie toch die van volmaakte menselij ke wezens is. Het zou onmogelijk zijn rechtvaardiging door geloof duidelijker voor te stellen.

Het witte gordijn, dat, opgehouden door die posten, de "Hof" vormde, verduidelijkte uitstekend dezelfde rechtvaardiging of zuiverheid. Derhalve moeten gerechtvaardigden voortdurend tegenover de wereld (de "Legerplaats") het reine linnen ophouden, hetwelk voorstelt Christus' rechtvaardigheid als hun kleed.

De zilveren haken, waardoor de posten het gordijn ophielden,waren symbolisch voor waarheid. Zilver is een algemeen zinnebeeld voor waarheid. De gerechtvaardigde gelovigen, voorgesteld door de posten in [52] de "Hof", kunnen er dus werkelijk en naar waarheid aanspraak op maken dat Christus' rechtvaardigheid al hun onvolmaaktheden bedekt. (Ex. 27:11-17). En verder is het alleen met behulp van de waarheid, dat zij in staat zijn hun rechtvaardigmaking te handhaven.

De deurposten bij de ingang van de Tabernakel bij de deur van het "Heilige" waren bedekt door het eerste Voorhangsel. Zij waren geheel en al verschillend van de posten in de "Hof", en stelden voor nieuwe schepselen in Christus, de gewijde heiligen. Het verschil tussen deze en de posten in de "Hof" stelde voor het verschil tussen de toestand van gerechtvaardigde gelovigen en geheiligde gelovigen. De wijding tot in de dood van een gerechtvaardigd mens is, zoals wij hebben gezien, de weg in het "Heilige", gaande door de dood van de menselijke wil, de vleselijke gezindheid, het eerste Voorhangsel. Deze posten moeten dus deze verandering weergeven, en dat doen zij dan ook; want zij waren bedekt met goud, zinnebeeldig voor Godde­lijke natuur. Dat zij geplaatst waren op voetstukken van koper, stel­e voort hoe wij "deze schat (de goddelijke natuur) in aarden vaten" hebben (2 Cor. 4:7), d.i, onze nieuwe natuur is nog gegrondvest op,en rust nog in onze gerechtvaardigde menselijkheid. Dit komt, naar men zich herinneren zal, nauwkeurig overeen met wat wij vonden, dat het Heilige voorstelde, t.w, onze plaats of positie als nieuwe schepselen die nog niet volmaakt gemaakt zijn. Ex.26-37.

De deurposten van het "Allerheiligste" stonden juist binnen het tweede Voorhangsel en stelden dezulken voor, die het vlees (Voorhangsel) geheel voorbijgaan, tot in de volmaaktheid van de geestelijke toestand. Deze posten waren zo gemaakt, dat zij dit ten volle weergaven. Bedekt met goud,voorstellende de goddelijke natuur, maar niet meer geplaatst op voetstukken van koper niet meer afhankelijk van welke menselijke toestand ook waren zij geplaatst op voetstukken van zilver (realiteit, waarheid, waarachtigheid), als wilden zij ons zeggen: Wanneer gij binnen dit Voorhangsel komt, dan zult gij volmaakte, werkelijke en waarachtige nieuwe schepselen zijn. Ex. 26:32.

De gouden tafel, die in het "Heilige" de toonbroden droeg, stelde voor de Gemeente als een geheel, met inbegrip van Jezus en de Apostelen al de geheiligden in Christus die dienen, "Voorhoudende het woord des levens". (Phi1. 2:16). Het grote werk van de Gemeente gedurende deze eeuw is geweest het voeden, versterken en verlichten van allen, die in de door een verbond bevestigde geestelijke toestand kwamen, De Bruid van Christus moet zichzelve bereiden (Openb. 19:7). Het getuigen tegenover de wereld gedurende de tegenwoordige eeuw is geheel ondergeschikt en bijkomstig. De volledige zegening van de we­reld zal volgen in Gods bestemde tijd, nadat de Evangelische Eeuw (de tegenbeeldige Groot-Verzoendag met zijn offeranden) geëindigd is.

De gouden kandelaar, of kandelaber, die tegenover de gouden tafel stond, en die licht gaf aan allen in het "Heilige", was van goud, geheel uit één stuk uitgehamerd. Hij had zeven armen, waarvan elk een lamp droeg, aldus zeven lampen vormend, een volmaakt of volledig aantal. Dit stelde voor de gehele Gemeente, vanaf het Hao: Hoofd, Jezus, tot aan en met inbegrip van het laatste lid van de kleine kudde, die Hij uitzoekt uit de mensen om deelnemers te zijn aan de goddelijke (gouden) natuur. Onze Here zegt "De zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten" (Openb. 1:20) de ene Gemeente wier zeven stadia of ontwikkelingen werden verzinnelijkt door de zeven vergaderingen in Klein-Azië. (Openb. l:11) Ja, die kandelaar stelde de gehele Gemeente der eerstgeborenen voor, niet de nominale, maar de ware Gemeente, wier namen geschreven zijn in de hemel, de ware lichtdragers, het Koninkrijke Priesterdom.

De vorm van het werkstuk was schoon een vrucht en een bloem, eenvracht en een bloem, die elkaar telkens opvolgden, voorstellende de ware Gemeente als schoon en vruchtbaar ven begin tot eind. Het lampgedeelte boven op elke tak was gevormd els een amaadel, waarvan wij de betekenis zullen zien als wij de betekenis ven Aärons staf zullen beschouwen.

Het licht van deze lamp was olijfolie, die "geslagen" of geraffineerd was; en de lampen werden altijd brandende gehouden. Deze olie was het zinnabeeld van de Heilige Geest, en het Licht ervan stelde Heilige verlichting voor, de Geest der waarheid. Het licht was uit­sluitend bestemd voor de priesters, want aan niemand anders werd ooit toegestaan het licht te zien of nut ervan te hebben. Aldus werd voorgesteld de geest of gezindheid Gods gegeven om de Gemeente te verlichten in de diepten Gods, die geheel en al verborgen zijn voor de natuurlijke mens (I Cor. 2:14), zelfs al is hij een gelovige een gerechtvaardigd mens (een Leviet). Niemand dan de waarlijk gewijden, het Koninklijke Priesterdom, wordt veroorloofd te zien in dit diepere Licht, verborgen in het "Heilige". De priesters (het gewijde Lichaam van Christus) hebben altijd toegang tot het "Heilige"; het is hun recht en voorrecht; het was bedoeld voor hen. (Hebr. 9:6) De Levietische klasse ken er niet inzien vanwege het voorhangsel van menselijke gezindheid dat tussen hen en de heilige dingen komt; en de enige wijze om het ter zijde te stellen is de menselijke wil en natuur te wijden en op te offeren.

De lichten moesten elke ochtend en avond worden gesnoten en bijgevuld door de Hogepriester Aäron en zijn zonen die hem in het ambt opvolgden  (Ex. 27:20, 21; 30:8). Aldus vult onze Hogepriester ons dagelijks meer en meer met de geest van Jezus, en reinigt ons van de drab van de oude natuur de pit waardoor de Heilige Geest werkt.

Tegenbeeldige Priesters en Levieten.

Is het ons soms wel eens een raadsel waarom sommige religieuze mensen geen andere dan natuurlijke dingen kunnen zien? de diepere geestelijke waarheden van het Woord niet kunnen onderscheiden? waarom zij wel kunnen zien de wederherstelling voor natuurlijke mensen, maar niet kunnen zien de Goddelijke, hemelse roeping? Deze Tabernakellessen tonen ons waarom dit zo is. Zij zijn broeders in rechtvaardigheid, van "de huishouding des geloofs", maar geen broederen in Christus, niet ten volle gewijd geen offeraars. Zij zijn Levieten in de "Hof"; zij hebben zich nimmer gewijd als priesters, om hun menselijke rechten en voorrechten op te offeren en kunnen bijgevolg het Heilige niet binnentreden, noch ook zien de dingen, die slechts coor de priesterlijke klasse zijn toebereid. "Hetgeen het natuurlijke oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Doch God heeft het ons (die door wijding nieuwe schepselen geworden zijn, geroepen om deelhebbers te worden aan de Goddelijke natuur) geopenbaard door Zijn Geest (licht van de lamp). Want de Geest onderzoekt (Openbaart) alle dingen, ook de diepten (verborgen dingen) Gods" 1 Cor. 2:9.

De nominale Gemeente heeft altijd zowel de gerechtvaardigde en geheiligde klassen bevat Levieten en priesters zowel als huichelaars. In de brieven van de apostel Paulus waren bepaalde delen gericht tot de gerechtvaardigde klasse (Levieten), die zich niet ten volle gewijd hadden. Hij schrijft derhalve aan de Galatiërs dat "Die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en [54] begeerlijkheden". (Ga1. 5:24). Hij schijnt aldus te willen zeggen, dat slechts sommigen van hen voldaan hadden aan de Evangelische roep om te offeren kruisiging van het vlees.

Op dezelfde wijze richtte hij zich tot de Romeinen: (12:1) "Ik bid u dan, broeders (gelovigen), gerechtvaardigd door het geloof in Christus Levieten), door de ontfermingen Gods, (openbaar door Christus in onze rechtvaardigmaking), dat gij uwe lichaamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehaaglijke offerande (dat gij u ten volle wijdt aldus priesters wordende)". Allen die in hun hart de zonde verzaken en Gods genade in Christus aannemen worden vrijelijk gerechtvaardigd door het geloof in Christus, God hen aannemende als toegerekend zondeloos of heilig; en zulke offeraars en hunne offeranden heeft God zich bereid verklaard door Christus te aanvaarden gedurende deze Groot-Verzoendag (de Evangelische Eeuw) en totdat het gehele aantal van het Koninklijke Priesterdom volledig is. "Nu is het de welaangename tijd" de tijd waarin zulke offeranden zullen worden aanvaard. Weliswaar zal God, zoals wij gezien hebben, offeranden van de wereld aanvaarden, en het zal altijd slechts de enig juiste gedragslijn voor allen zijn om te volgen, om aan de Heer hun gekochte bestaan over te geven. Maar nadat deze Eeuw geëindigd is, zal aan niemand meer vergund worden om te offeren tot ín de dood en tot lijden zulke offeranden zullen onmogelijk zijn nadat de nieuwe eeuw en derzelver ordeningen zijn ingeluid.

Het schijnt duidelijk te zijn, dat verreweg het grootste deel van de eerste Gemeenten (en in nog grotere mate het huidige wereldse mengsel, het verwarde "Babylon" van de tegenwoordige tijd) niet gewijd was tot in de dood, en derhalve niet tot het tegenbeeldige Koninklijke Priesterdom behoorde, doch slechte Levieten waren, dienst doende in het Heiligdom, maar niet offerende.

Terugblikkend naar het voorbeeld in de Wet, bevinden wij, dat er 8580 Levieten werden aangewezen tot de voorbeeldelijke dienst, terwijl er slechts vijf priesters werden aangewezen voor de voorbeeldelijke offerande  (Num. 4:46-48;  Ex. 28:1). Het zou kunnen zijn dat dit, evenzeer als de andere trekken van de schaduw, bedoeld was om de verhouding van de gerechtvaardigde gelovigen ten opzichte van zichzelf offerenden, gewijden, te verduidelijken. Ofschoon thans de nominale kerk millioenen telt, toch schijnt het duidelijk, dat, als een marge gelaten wordt voor de huichelaars en wanneer slechts een op elke zeventienhonderd overblijvenden als een levende offerande wordt voorgesteld, (ofschoon weinig, toch in juiste verhouding tot het voorbeeld), de Heer geen onjuiste melding heeft gedaan toen Hij zeide dat zij (het Koninklijke Priesterdom) die het Koninkrijk zouden ontvangen een kleine kudde zouden zijn. (Luc. 12:32) En als wij indachtig zijn, dat twee van de vijf priesters vernietigd werden door de Heer, zinnebeeldig voor de dood van nalatige en ontrouwe priesters, dan vinden wij, dat de verhouding van drie priesters tot 8580 Levieten slechts één op acht en twintig honderd zou zijn.

Het feit, dat wij gelovigen zien, die trachten hun zonden weg te doen, is op zichzelf geen blijk van hun "priester" zijn; want Levieten zowel als priesters behoren "besnijdenis des harten" te beoefenen "wegdoende de vuilheid (zonde) des vlezes". Dit alles wordt verzinnelijkt door het Wasvat in de "Hof", waarin zowel priesters als Levieten zich wasten. Ook is een geest van zachtmoedigheid, zachtheid, welwillendheid en tederheid niet altijd een aanwijzing van wijding aan God. Deze hoedanigheden behoren aan een volmaakte natuurlijke mens (het beeld Gods), en soms overleven zij gedeeltelijk wel eens de verwoesting door de val. Doch zulke blijken gaan niet zelden door voor bewijzen van volle wijding in de nominale kerk. [55]

Zelfs wanneer wij gelovigen zien, die in het een of andere goede werk van politieke of morele hervorming zelfverloochening in practijk brengen, is dat geen bewijs van wijding aan God, ofschoon het wel een bewijs is van wijding aan een werk. Wijding aan God betekent: Elk werk, waar ook; "Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen"; Uw wil, op Uw wijze, geschiede. Wijding aan God zal derhalve een naspeuren van Zijn plan, geopenbaard in Zijn Woord, behelzen, opdat wij in staat mogen zijn al onze kracht en vermogen voor Hem en in Zijn dienst te geven, overeenkomstig Zijn geordend en geopenbaard plan.

Laat het ons dus niet verwonderen, dat zo weinigen ooit de heerlijke schoonheden in de Tabernakel hebben gezien; slechts priesters kunnen ze zien. De Levieten kunnen er slechts van weten als zij ze horen beschrijven. Zij hebben nimmer hun verborgen licht en schoonheid gezien; nimmer gegeten van "het brood der aanwezigheid"; nimmer de aanneembare wierook op het altaar geofferd. Neen, om deze te genieten, moeten zij het voorhangsel voorbijgaan tot volledige wijding aan God, tot offerande gedurende de Groot-Verzoendag.

Het gouden altaar in het "Heilige" schijnt de kleine Kudde voor te stellen, de gewijde Gemeente in de tegenwoordige offerende toestand. Van dit altaar stijft de zoete wierook, aanneembaar voor God door Christus Jezus de vrijwillige diensten van de priesters: hun lofspraken, hun gewillige gehoorzaamheid alle dingen, welke ook, die zij doen ter heerlijkheid Gods. Zij die aldus wierook offeren aanneembaar door God (1 Petr. 2:5), komen zeer nauw tot hun Vader, dicht bij het Voorhangsel dat van het "Allerheiligste" scheidt; en als zij beden hebben te doen, kunnen zij worden aangeboden met de wie rook "veel reukwerk . . . met de gebeden aller heiligen". (Openb. 8:3) De gebeden van zulke priesters van God zijn doeltreffend. Onze Heer Jezus hield de wierook voortdurend brandende, en kon zeggen: "Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort" (Joh. 11:42). Zo zullen ook de onderpriesters, leden van Zijn lichaam, altijd gehoord worden als zij voortdurend de wierook van geloof, liefde en gehoorzaamheid aan God offeren, en niemand behoort te verwachten, dat beden erkend zullen worden, die niet aldus hun verbond bewaren "indien gij in Mij blijft en Mijn woorden (leringen) in u blijven, zo wat gij wilt zult gij begeren (vragen), en het zal u geschieden”, (Joh. 15:7). De noodzakelijkheid van een klaar begrip van Christus' leringen als een gids voor onze beden en verwachtingen, opdat wij niet "kwalijk bidden" en buiten overeenstemming met Gods plan, wordt duidelijk getoond door deze Sohriftplaats, doch wordt zelden opgemerkt.

Door typen vroeger beschouwd, hebben wij iets geleerd van de heerlijkheid van het "Allerheiligste", de volmaakte Goddelijke toestand, welke voor geen mens toegankelijk is (1 Tim. 6:16); maar tot welke de nieuwe schepselen in Christus Jezus, gemaakt tot deelhebbers aan de Goddelijke natuur, uiteindelijk zullen komen, wanneer de wierookofferande van de zijde van het gehele lichaam van Christus, het Koninklijke Priesterdom, beëindigd is en de wolk van reukwerk voor hen uit gaat tot in Jehovah's tegenwoordigheid, opdat zij mogen leven aan gene zijde van de Voorhang aanneembaar zijnde door God, door Jezus Christus, hun Heer.

In het Allerheiligste.

De ark des verbond of "ark der getuigenis" was het enige meubelstuk in het "Allerheiligste". (Zie Hebr. 9:2-4 en de Diaglott-voetnt). De naam er van zegt, dat het de belichaming van Jehoveh`s plan verduidelijkte, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelve voor het begin van de Schepping Gods, voordat de minste ontplooiing van Zijn plan had plaats [56] gevonden. Het stelde voor het eeuwige voornemen van God, Zijn voorbe­schikte ordening van rijkdommen van genade voor de mensheid in de Christus (Hoofd en Lichaam) "de verborgenheid die bedekt was". Het stelt daarom voor Christus Jezus en Zijn Bruid, de Kleine Kudde, om deelhebbers,te zijn aan de Goddelijke natuur, en om te worden doordrenkt met de kracht en grote heerlijkheid de prijs van onze hoge roeping, de vreugde voorgesteld aan onze Heer en aan al de leden van Zijn Lichaam.

Zoals hierboven vermeld, was het een rechthoekige doos, bedekt met goud, voorstellende de Goddelijke natuur verleend aan de verheerlijkte Gemeente. Zij bevatte de twee tafelen der Wet (Deut. 31:24) Aärons staf, die gebloeid had (Num. 17:8), en de gouden pot met manna (Ex. 16:32). De Wet toonde hoe de Christus algeheel zou voldoen aan de eisen van Gods volmaakte wet, en ook dat Hij met wettig gezag zou worden bekleed als de wetsuitvoerder.

De rechtvaardigheid der Wet werd daadwerkelijk vervuld in ons Hoofd, en het wordt ook geacht te zijn vervuld in al de nieuwe schepselen in Christus, "die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest"; d.i. die wandelen in gehoorzaamheid aan de nieuwe gezindheid. (Rom. 8:1) De zwakheden van de oude natuur, welke wij dagelijks moeten kruisigen, eenmaal toegedekt door onze rantsoenprijs, worden ons niet opnieuw ten laste gelegd als nieuwe schepselen, zolang wij in Christus blijven.

Wanneer er geschreven staat dat "het recht der wet wordt vervuld in ons", betekent dit, dat het einde van onze loopbaan (volmaaktheid) aan ons wordt toegerekend, omdat wij wandelen naar of in de richting van werkelijke volmaaktheid, die, wanneer deze bereikt zal zijn, de toestand zal zijn van het "Allerheiligste", voorgesteld door de ark des verbonds.

 De inhoud van de Ark.

"De staf Aärons die gebloeid had" toonde het uitverkoren karakter van het gehele Lichaam van Christus, als leden van het Koninklijke Priesterdom. Bij het lezen van Numeri 17 zal gezien worden, dat de betekenis van de gebloeide staf Jehovah's aanneming van Aäron en zijn zonen is het voorbeeldelijke priesterdom, vertegenwoordigers van Christus en de Gemeente als de enigen, die het priesterlijk ambt van middelaar mochten vervullen. Die staf stelde derhalve voor de aanvaardbaarheid van het Koninklijk Priesterdom, de Christus, Hoofd en Lichaam. De staf bloeide en bracht amandelen voort. Een bijzonderheid over de amandelboom is, dat de vruchtbeginsels ontstaan vóór de bladeren. Zo ook met het Koninklijke Priesterdom; zij offeren en brengen vrucht voort, voordat de bladeren der belijdenis gezien worden.

De gouden pot met manna, stelde onsterfelijkheid voor als zijnde een van de bezittingen van de Christus Gods. Onze Here Jezus verwijst ongetwijfeld hiernaar als Hij zegt: "Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is". Openb. 2:17.

Doch aan hen, die Christus' mede-erfgenamen worden, leden van het gezalfde Lichaam, doet God een speciaal aanbod van een bijzonder soort manna, dat hetzelfde en toch verschillend is van dat gegeven aan anderen "het manna, dat verborgen is". [57]

Een bijzonderheid van deze pot met manna was, dat het onverderfelijk was; vandaar dat het zeer goed de onsterfelijke, onverderfelijke toestand illustreet, beloofd aan alle leden van het "zaad", hetwelk de Gemeente is. Het manna of levensbrood, waarmede Israël gevoed werd was niet onverderfelijk, en moest dus dagelijks verzameld words: Zo zal aan al de gehoorzamen der mensheid, die langzamerhand als Israëlieten inderdaad erkend zullen worden, eeuwig leven worden verschaft, doch voorwaardelijk, een verschaft en hernieuwd leven; terwijl de Kleine Kudde, die onder tegenwoordige ongunstige toestanden getrouwe overwinnaars zijn, een onverderfelijke hoeveelheid onsterfelijkheid zal gegeven worden. Openb. 2:17.

Hier dus, in de gouden ark, werd voorgesteld de heerlijkheid te openbaren in de Goddelijke Christus: In de staf, die bloeide, Gods verkozen priesterdom; in de Tafelen der Wet, de Rechtvaardige Rechter; in het onverderfelijke manna in de gouden kom, onsterfelijkheid, de Goddelijke natuur. Boven deze ark, en er een deksel of hoofd van uitmakend, was:

het verzoendeksel, een plaat van massief goud, op welke twee einden twee cherubijnen uit hetzelfde stuk vervaardigd, waren, met opgeheven vleugels alsof zij klaar waren om te vliegen, hun gezichten binnenwaarts kijkend naar het midden van de plaat waarop zij stonden. Tussen deze cherubijnen, op het verzoendeksel, vertegenwoordigde een helder licht Jehovah's tegenwoordigheid.

Zoals de ark Christus voorstelde, zo stelde het verzoendeksel, het heerlijkheidslicht en de cherubs tezamen Jehovah God voor "God het Hoofd van Christus". (1 Cor. 11:3) Gelijk met Christus, zo ook met Jehovah, Hij wordt hier voorgesteld door dingen, die hoedanigheden van Zijn karakter verduidelijken. Het licht, de "shekinah-heer­lijkheid" geheten, stelde Jehovah zelf voor als het licht van het heelal, zoals Christus het Licht der wereld is. Dit wordt overvloedig betuigd door vele Schriftplaatsen. "Die tussen de cherubs zit, verschijn blinkende". Ps. 80:1; 1 Sam. 4:4; 2 Sam. 6:2; Jes. 37:16.

De menselijkheid kan niet in Jehovah's tegenwoordigheid komen; vandaar, dat de Koninklijke Priester, voorgesteld door Aäron, nieuwe schepselen moet worden, "deelgenoten van de Goddelijke natuur (de menselijka hebbende gekruisigd en begraven), voordat zij kunnen verschijnen in de aanwezigheid van die uitermate heerlijkheid.

De plaat van goud, genaamd het Verzoendeksel (of juister de troon der genade geheten), omdat de priester er het bloed der offeranden op offerde, dat aan de eisen van Goddelijke gerechtigheid voldeed of voldoening gaf) stelde voor het ten grondslag liggende beginsel van Jehovah's karakter-gerechtigheid. Gods troon is gebaseerd of gevestigd op Gerechtigheid. "Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid uws troons". Ps. 89:14; Job 36:17; 37:23;  Jes. 56a1; Openb. 15:3.

De Apostel gebruikte het Griekse woord voor verzoendeksel of genadetroon (hilasterion) als hij naar onze Here Jezus verwijzend, zegt: "Welke God heeft voorgesteld tot een verzoening (of genade­troon), . . . tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid; . . . opdat Hij rechtvaardig zij en rechtvaardigende degene, die uit het geloof in Jezus is". (Rom. 3:25, 26) De gedachte hier is ín overeenstemming met de voorgaande voorstelling. De gerechtigheid, de wijsheid, de liefde en de macht zijn Gods eigendom zowel als het plan door welke al deze samenwerken tot menselijke zaligheid; doch het behaagde God, dat in Zijn zeer geliefde Zoon, onze Here Jezus Christus, alles van Zijn eigen volheid wonen zou, en zou worden aangeboden aan de mensheid. Aldus was in het voorbeeld de Hogepriester, komende uit het "Allerheiligste", de levende vertegenwoordiger voor de mensen van Jehovah's gerechtigheid, wijsheid, liefde en macht de levende [58] vertegenwoordiger van Goddelijke genade, vergif-fenis en bevredi­ging. Ofschoon het Goddelijke Wezen gesluierd is, verborgen voor het menselijke gezicht, toch moeten Zijn Goddelijke eigenschappen aan alle mensen worden ontvouwd door onze grote Hogepriester, die als de levende Troon der Genade, aan het eind van deze eeuw tot de mens­heid zal naderen en allen de rijkdom der Goddelijke genade zal doen begrijpen.

De twee cherubs stelden twee andere elementen van Jehovah's karakter voor, gelijk geopenbaard in Zijn Woord, t.w. Goddelijke Liefde en Goddelijke Macht. Deze eigenschappen, gerechtigheid, het grondslag vormende beginsel, en liefde en macht van dezelfde hoedanigheid of wezen er uit opgeheven, bevinden zich in volkomen overeenstemming. Zij zijn alle gemaakt uit een stuk: zij zijn volkomen een. Noch liefde noch macht kan worden uitgeoefend totdat gerechtig­heid ten volle is voldaan. Dan vliegen zij om te helpen, om op te heffen en te zegenen. Zij zonden juist gaan vliegen, klaar, doch wachtende; naar binnen kijkend naar de Genadetroon, naar Gerechtigheid, om te weten wanneer zij moeten gaan.

Wanneer de Hogepriester met het bloed der verzoeningsofferanden naderde, legde hij het niet op de cherubs.

Neen, noch Goddelijke macht, noch Goddelijke liefde eisteen offerande; de Hogepriester behoefde de cherubijnen derhalve niet te besprenkelen. De hoedanigheid of het attribuut van gerechtigheid van God zal immers in geen geval de schuldige vrijspreken, daar het de Gerechtigheid was, die zeide: "De bezoldiging der zonde is de dood". Wanneer dus de Hogepriester een rantsoen voor zondaren zou geven, dan moest het aan Gerechtigheid worden voldaan. Vandaar de gepastheid van de plechtigheid van het sprenkelen van het bloed op het verzoendeksel de

Troon der Genade

De liefde leidde tot het gehele verlossingsplan. Het was, omdat God de wereld alzó lief heeft gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gezonden om te verlossen door aan Gerechtigheid de rantsoenprijs te betalen. Aldus is de liefde werkzaam geweest, door het toebereiden van de verlossing van af dat de zonde is ingekomen; ja, van vóór de grondlegging der wereld" 1 Petr. 1:20.

"Liefde beraamde 't eerst de weg
tot redding van d'opstand 'gen mens".

Wanneer de offeranden van de Groot-Verzoendag (var en bok) volledig zijn, dan draalt de Liefde om de resultaten vann haar plan te zien. Wanneer het bloed gesprenkeld wordt, roept Gerechtigheid: Het is genoeg; het is volbracht! Dan komt het ogenblik waarop Liefde en Macht mogen handelen en snellijk slaan zij hun vleugels uit om het losgekochte gesladht te zegen. Als gerechtigheid voldaan is, begint Macht met haar opdracht, die samengeweven is met die van Liefde, hetzelfde werktuig gebruikend Christus, de ark of veilige bewaarplaats van Goddelijke gunsten.

De verwantschap en eenheid van dat Goddelijke gezin, de Zoon en Zijn Bruid, voorgesteld door de ark in overeenstemming en eenheid met de Vader, voorgesteld door het deksel werd getoond door het feit, dat het verzoendeksel van de ark en dus een deel, het bovenstuk of hoofd er van was. Zoals het Hoofd der Gemeente Christus Jezus is, zo is het Hoofd van de gehele Christus God. (1 Cor. 11:3) Dit is de eenheid, waarvoor Jezus bad, toen Hij zeide: "IK bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt ... opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in mij, en ik in U, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld (alsdan) gelove". Joh. 17:9,21. [59]

De Priester onbevlekt.

Het is ook van betekenis, dat elk lid van het priesterdom, dat een gebrek had aan oog, hand, neus, voet, of welk ander deel ook, het ambt van Priester (Hogepriester) niet kon vervullen; noch elk mens, die een overtolligheid had, zoals een extra vinger of teen.

Dit leert, dat een ieder lid van het verheerlijkte Lichaam van Christus volledig zal zijn, zonder enig gebrek; en ook, dat er in die Klein Kudde noch een te veel, noch een te weinig, doch nauwkeurig het te voren geweten en voorbestemde aantal zal zijn. Wanneer eenmaal het Lichaam van Christus voltallig is, zullen er geen verdere toevoegingen zijn, geen overtolligheid. Derhalve behoren allen, die geroepen zijn tot deze hoge roeping om leden in het bijzonder van het Lichaam van Christus te worden, en die haar aanvaard hebben, ernstig te trachten hun roeping en verkiezing vast te maken als leden van die kleine Kudde, door zo te lopen, dat zij de prijs verkrij gen. Als zo iemand zorgeloos wordt en de prijs mist, zal iemand anders hem winnen in zijn plaats, want het Lichaam zal voltallig zijn; niet één lid zal er aan ontbreken en niet één lid zal er overtollig zijn. Pas op, "opdat niemand uw kroon neme". Openb. 3:11.

"De verborgenheid, die verborgen is geweest 
van alle eeuwen
en alle Geslachten" 
Col. l:26.

Het heeft sommigen verwonderd, dat de heerlijkheid en schoon­heid van de Tabernakel deszelfs gouden muren, deszelfs gouden en prachtig gegraveerde meubelen en deszelfs voorhangsel van kunstig werk zo volledig bedekt en verborgen waren voor het gezicht van het volk; zelfs het zonlicht van buiten werd uitgesloten, het enige lichte van zijnde de lamp in het "Heilige" en de shekina-heerlijkheid in het "Allerheiligste". Maar dit is volmaakt in overeenstemming met de lessen die wij uit haar diensten hebben ontvangen. Gelijk God het voorbeeld bedekte en de schoonheid er van verborg onder gordijnen en ruwe onooglijke huiden, zo worden de heer lijkheden en schoonheden der geestelijke dingen slechts gezien door hen, die de gewijde toestand binnentreden het Koninklijke Priesterdom. Deze betreden een verborgen doch heerlijke staat, die de wereld en allen, die buiten zijn falen te waarderen. Hun heerlijke hopen en ook de positie als nieuwe schepselen  zijn verborgen voor hun medemensen.

EINDE.

 

Table of Contents - Preface - Chapter 1 - Chapter 2 - Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5 - Chapter 6 - Chapter 7 - Chapter 8
Index

Return to Dutch Home Page


Illustrated 1st Volume
in 31 Languages
 Home Page Contact Information