Studies in the Scriptures

Tabernacle Shadows

 The PhotoDrama of Creation


 

Hoofdstuk V

Een ander beeld van de Verzoeningsofferanden.
Levitions Hoofdstuk Negen.

 

In dit hoofdstuk vinden wij een meer beknopt beeld van het werk en de offeranden der Verzoening dan het reeds onderzochte (Lev. 16) en daarbij verschaft het ons bepaalde onderdelen, welke beschouwd in het licht van het voorgaande ons zeker van belang en voordeel zal zijn. Het is een ander beeld van de verzoeningsofferanden.

En Mozes zeide: "Deze zaak, die de Here geboden heeft, zult gij doen, en de heerlijkheid des Heren zal u verschijnen. En Mozes zeide tot Aäron: "Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer en uw brandoffer toem en doe verzoening voor u (degenen, die geroepen worden om leden van "Zijn Lichaam" te zijn; eisen dit) en voor het volk (de wereld) ".

Dit beeld geeft te kennen, dat onze Heer Jezus (de var offe­rande voor zonden) voldoende was om zowel "Zijn Lichaam", het kleine kuddeke" als de ganse wereld der mensheid te verlossen. Het deel van de Gemeente in het zoenoffer kon geheel en al weggelaten worden, wij konden de speciale beproevingen van ons "smalle pad" bespaard worden en ook het lijden door offerande en konden hersteld worden tot de volmaaktheid der menselijke natuur zoals het alle mensen geschieden zal. Maar het heeft Jehovah behaagd, niet alleen Jezus voor dit grote offerwerk te kiezen, maar Hem ook te maken tot Leidsman of Hoofd van "de Gemeente" welke is "Zijn Lichaam en om dezen evenals hun Leidsman volmaakt te maken als geestelijke wezens door het lijden in het vlees als zoenoffers. Hbr. 2:10; Col.1:24.

De Apostel Paulus, doelende op onze nauwe verwantachap met ons Hoofd, zegt: "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel (het "Heilige" en het "Allerheiligste") in Christus gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem voor de grondlegging der wereld, tot prijs der heerlijkheid Zijner genade door welke Hij ons (gerechtvaardigd) begenadigd heeft in de Geliefde". (Ef l:3, 4, 6) God "heeft u geroepen door ons evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid onzes Heren Jezus Christus" (2 Thess. 2:14) zodat "indien wij verdragen (lijden) wij ook met Hem zullen heersen". 2 Tim. 2:12.

Nadat de Hogepriester zijn eigen offerande had opgeofferd, moest hij opmaken "de offeranden des volks (de bok) en doen de Verzoening voor hen (geheel Israël), gelijk als de Here geboden heeft". Deze regeling, opdat wij deel zouden hebben aan de verzoeningofferande, vormde een deel van het bevel van onze Vader of van Zijn oorspronkelijk plan, zoals Paulus betoogt, Col.1:24-26.

"Toen naderde Aäron tot het Altaar, en slachtte het kalf (Hebr. jonge var) des zondoffers, dat voor (in plaats van) hem was; en de zonen Aärons brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; maar het vet  ... heeft hij op het altaar aangestoken ... doch het vlees en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. Daarna slachtte hij het brandoffer (een ram), en de zonen Aärons leverden aan hem het bloed, en hij sprengde dat rondom op het altaar; ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken  ... en hij wies  het ingewand en de schenkels, en hij stak ze aan op het brandoffer op het altaar. (Bijna hetzelfde verslag als in Hoofdstuk 16 en met dezelfde betekenis).

[35] Zo brandde het brandoffer van Jezus geduren de de ganse Evangelische Eeuw, getuigenis gevende aan allen in de "Hof" toestand (de gerechtvaardigden) van Gods aanneming van Hem en de aanneming van al de leden van "Zijn Lichaam" gelegd bij het Hoofd op het altaar.

Daarna deed hij de offerande des volks toebrengen, en nam de de bok des zondoffers die voor het volk was (niet voor de priesters en Levieten, zoals de eerste) en slachtte hem; en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste", hij behandelde deze dus juist zoals hij de var behandeld had. Deze bok is dezelfde als "de bok des Heren" in het andere beeld. De "zondebok" en andere onderdelen zijn in dit meer algemene beeld weggelaten. Dit is een nadere bevestiging van de leer, dat diegenen, die in de voetstappen des Heren volgen, deelnemers zijn aan het zoenoffer."

"Voorts deed hij het brandoffer toebrengen en maakte daartoe naar het recht (bereidde het zoals gewoonlijk toe). En hij deed het spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand (nam er een handvol van) en stak het aan op het altaar, behalve nog het mogenbrandoffer. Daarna slachtte hij de os (var) en de ram ten dankoffer (vredeoffer) dat voor het volk was.

Het vredeoffer, zo juist beschreven stelt een belofte of verbond voor. Gebracht tezamen met het zoenoffer van de Hogepriester geeft het weer de geloften, verplichtingen, door de priester op zich genomen en gegrond op het zoenoffer. In het beeld werd er vrede gemaakt tussen Jehovah en Israël als volgt: Het zoenoffer werd gebracht, dan het brandoffer, om de aanneembaarheid daarvan door God aan te tonen: en dan was er vrede tussen Jehovah en Israël, want de vorige Adamitische zonde was zinnebeeldig uitgewist. En nu rustte op de Israëlieten de plicht om in gehoorzaamheid aan het verbond gegrond ophun vergiffenis te leven, d.w.z. zij moesten de Wet houden, daar hij, die die dingen deed, door (als een beloning voor het houden daarvan) deze zou leven. Maar daar onze zoenoffers meerder zijn dan de zinnebeeldigen is ook het vredeoffer of verbond teweeggebracht door die offeranden, een beter verbond. Zo schijnt de priester door dit vredeoffer of verbondoffer als voorbeeld of schaduw te dienen van geestelijke dingen: de middelaar van een beter verbond (Hebr. 8:6-13) door hetwelk alle mensen gezegend zullen worden met wederherstelling en derhalve bekwaam gemaakt om aan de volmaakte wet te gehoorzamen en eeuwig te leven.

"Daarna hief Aäron zijn handen op tot het volk en zegende hen, en hij kwam af nadat hij het zondoffer en brandoffer en dank-(vrede-) offer gedaan had". In dit beeld zien wij, dat ofschoon de tijd voor de zegen noe niet ten volle rijp is, waardoor alle mensen hem zullen krijgen voor alle offeranden gebracht zijn, toch komt een mate van de zegen zelfs nu gedurende deze eeuw van offerande, door de leden van de priester voor wij allen in het "Allerheiligste" of de geestelijke toestand zijn ingegaan. En hoe waar blijkt dit te zijn: Al waar de koninklijke priesters zijn, gaat een zegen, meer of minder uitgesproken, van deze op hun naasten over.

"Toen ging Mozes met Aäron in de Tent der Samenkomst:
daarna kwamen zij uit en zegenden het volk".

Wanneer deze dag (eeuw) van offerande geëindigd is, zal de voltallige Priester (Hoofd en Lichaam) voor God verschijnen en blijk geven voldaan te hebben aan de eisen van Gerechtigheid op de mensen [36] (de wereld). Men zal hebben opgemerkt, dat terwijl het beeld van Leviticus 16 het werk van de Groot-Verzoendag splitst en al de bijzonderheden aantoont, hoe bijvoorbeeld de offerande des Heren het onze aanneembaar maakt enz., dit beeld het ganse werk van de Evangelische eeuw aangeeft als opeenvolgende offeranden welke inderdaad samenge­voegd wordt tot één, het ganse lijden van de gehele Christus, waarop onmiddellijk de wederherstellingszegeningen volgen. Het binnengaan van Mozes met Aäron in de Tabernakel schijnt te zeggen: "Aan de Wet is ten volle voldaan en haar gerechtigheid is door het offer van Christus in ere hersteld. De Wet (in het beeld voorgesteld door Mozes) zal getuigen voor diegenen, die onder de wet waren Israël naar het vlees en allen, die door haar veroordeeld waren zullen ook tot het leven rechtvaardig gemaakt worden door het offer van de Priester, die "zich opofferde" eens voor al.

Het ganse offer was, wanneer het werd aangeboden, "heilig, Gode welaangenaam", wat aangetoond werd doordien Mozes en ron niet stierven op de drempel des Allerheiligsten. En Mozes en Aäron kwamen naar buiten en zegenden tezamen het volk. Zo zal de Christus in de komende eeuw alle geslachten des aardrijks zegenen (Ga1. 3:8, 16, 29; Gen. 12:3), en wel niet door het terzijde leggen van de wet Gods en door de zonder te verontschuldigen, maar door geleidelijk de mens te herstellen tot menselijke volmaaktheid in welke toestand hij in staat zal zijn de volmaakte Wet Gods te houden en door haar gezegend te worden. Gezegend door de Priester, volmaakt gemaakt en geschikt om haar te houden, zal de Wet gehoorzaam en leef, "Hij, die gerechtigheid doet, is rechtvaardig" een grote zegen zijn, went wie wil kan dan gehoorzaam en eeuwig leven in gelukzaligheid en gemeenschap met Jehovah.

"En de heerlijkheid des Heren verscheen al den Volke"

Naarmate de zegen toeneemt (het geslacht herstelt en opheft vleselijk en geestelijk) zullen de gevolgen zichtbaar worden. Het volk, de wereld in het algemeen, zal Gods genadige liefde elke dag steeds meer erkennen. Zo zal "de heerlijkheid des Heren geopenbaard worden en alle vlees tegelijk zal het zien" (Jes. 40:5). Zij zullen dan langzamerhand beginnen in te zien de lengte en breedte, de hoogte en diepte van Gods liefde, welke alle verstand te boven cast.

Vermeldenswaard is, dat de zegening hier bedoeld, geen zegen was voor de onderpriesters. Neen, zij werden voorgesteld door de zegengever: Aäron. De zegen was bestemd voor het ganse volk Israëls, dat naar het beeld de wereld voorstelde. Deze zegening der wereld door het "Zaad" de ganse Christus, nadat al het lijden vervuld is door het Lichaam (Col. l:24) bedoelt Paulus, toen hij zeide: "Het ganse schepsel (de mensheid) tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe . . . verwacht de openbaring der kinderen Gods". Voor zij bevrijding kunnen verwrachten van de slavernij van verderf (zonde en dood) en wederherstelling tot de vrijheid der kinderen Gods (vrijheid van vonnis, zonde, dood enz.) in welks genot zich Gods eerste mensenzoon, Adam, verheugde (Luc. 3:38), moeten de offeranden van de Verzoendag geëindigd zijn en de priesters die offerden aangetrokken hebben de heerlijke gewaden, de koninklijke goddelijke volmacht en kracht om ze te bevrijden. Rom.8:19-22.

Ongetwijfeld had Paulus dezelfde zegening voor al het volk op het oog verlossing van de dood en zijn angel, zonde toen hij [37] zeide: "Christus ... zal ten andere mala zonder zonde (niet weer als zoenoffer en zonder besmetting door de zonden voor de zondaren gedragen) gezien worden door degenen, die Hem VERWACHTEN tot zaligheid". (Hebr. 9:28) De wereld heeft de Priester Hoofd en Lichaam ­ zien lijden gedurende deze eeuw als een zoenoffer; Jezus werd de Joden in het vlees geopenbaard (als een zoenoffer), en zoals Paulus kon zeggen, zo kannen alle volgelingen in zijn voetstappen zeggen: "Je­zus is in ons sterfelijk lichaam geopenbaard".  (2 Cor. 4:11) Gelijk de ganse Christus zo geopenbaard en geleden heeft in het vlees, zo zullen zij "tezamen verheerlijkt” worden voor de wereld; "en de heerlijkheid des Heren (zegen en zaligheid) zal geopenbaard worden, en alle vlees tegelijk zal zien", wanneer Hij zal geopenbaard worden, zullen wij ook met Hem in heerlijkheid verschijnen. Col. 3:4.

Doch deze grote Hogepriester der wereld zal herkend worden door "diegenen, die Hem verwachten". Indien Hij een vleeswezen de lucht of elders zou verschijnen, zou dat wezen een openbaring aan allen of zij op Hem wachten of niet, maar zoals wij reeds hebben gemerkt leert de Schrift, dat het Hoofd volmaakt geworden is als een geestwezen en dat Zijn "klein kuddeke" gemaakt zal worden "gelijk als Hij", geestwezens van de goddelijke natuur, welke geen mens gezien heeft noch zien ken. (1 Tim. 6:16) Wij hebben ook geleerd, dat de wereld de verheerlijkte gemeente zal zien door het verstand, zoals een blinde ziet. In dezelfde zin zien wij nu de prijs, de "kroon des levens", "dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet (met het natuurlijk oog); want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig". (2 Cor. 4:18) Op deze manier zal de ganse Gemeente dezer eeuw "Jezus verwachten".  Zo "zien wij Jezus".  (Hebr. 2:9; 12:2) Dus nemen de "Wachters" met de ogen van hun verstand de tweede aanwezigheid des Heren op de juiste tijd, door middel van het licht ven het goddelijk Woord, waar en later zal de wereld, elk oog. Hem op dezelfde wijze zien, maar door middel ven het licht van het "verterend vuur" van Zijn gericht. 2 Thess. 1:8.

Dit is de enige manier, waarop menselijke wezens dingen op het geestelijk plan kunnen zien of waarnemen. Jezus maakte deze gedachte de discipelen bekend, dat zij, die Zijn Geest of zin waarnemen en Hem dus kenden ook op dezelfde manier met de Vader bekend moesten zijn. "Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook Mijn Vader kennen. En van nu kent gij Hem en hebt Hem gezien". (Joh. 8:19; 14:7) Dit is de enige zin, waarop de wereld God ooit zien kan, want "Niemand heeft ooit God gezien", (Dewelke geen mens gezien heeft, noch zien kan") "de eniggeboren zoon . . . . Die heeft Hem ons verklaard (getoond). (1 Tim. 6 :16; Joh. 1:18) Jezus heeft de Vader geopenbaard of Hem de discipelen doen zien door Zijn karakter bekend te maken; door Hem te openbaren door woorden en daden als de God der Liefde.

Op dezelfde manier werd het Paapse stelsel door Luther en anderen aangetoond en door velen gezien als de Antichrist, zoals Paulus voorspeld had, dat boze stelsel, de mens der zonde, die dan geopenbaard werd, doch door velen nog niet als zodanig wordt gezien.

Gelijkerwijs is onze Here Jezus, het Hoofd (nu aanwezig ter verzameling der kleinoodiën), nu geopenbaard aan de in leven zijnde leden van het "kleine kuddeke", ofschoon anderen van Zijn aanwezigheid niets afweten. Luc. 17:26-30; Mal. 3:17.

Op dezelfde wijze zal in de Duizendjarige Dag, wanneer de vol­tallige Christus, de Priester, geopenbaard is, Hij geopenbaard zijn voor diegenen, die Hem verwachten en slechts dezen zullen Hem zien. [38] Zij zullen Hem zien, niet met vleselijke ogen, maar zoals wij nu alle geestelijke dingen waarnemen, zoals onze Here Jezus, de Vader, de prijs enz., door het oog des geloofs. De mensen zullen de Christus niet met het natuurlijke oog zien, daar zij zich op verschíllende trappen van bestaan bevinden: de een geestelijk, de ander vleselijk. Dus om dezelfde redenen, waarom zij Jehovah nimmer zullen zien, Maar wij (het kleine kaddeke, wanneer verheerlijkt) zullen Hem zien zoals Hij is, want wij zullen gelijk Hem zijn. 1 Joh. 3:2.

Maar alleen degenen, die Hem verwachten, zullen de Christus, kunnen erkennen als de Verlosser, die hen bevrijden zal van de heerschappij des doods en dat zal toch de ganse wereld zijn, daar de wijze van openbaring dusdanig zal zijn, dat allen tenslotte zullen moeten zien "Elk oog zal Hem zien" en allen die in hun graven dan ontwaken, zelfs die hem doorstoken hebben zullen erkennen, dat zij de Heer der Heerlijkheid hebben gekruist. (2 Thess. l:8) "Hij zal geopenbaard worden (in de lucht? Neen!) in vlammend vuur (gericht), om wraak te oefenen over degenen, die het Evangelie van onze Here Jezus Christus niet gehoorzaam zijn en (ook) over degenen, die God niet kennen (niet erkennen) ". Het zal niet lang duren of de ganse mensheid zal Hem onder dergelijke omstandigheden erkennen. Nu lijdt de goede, maar den zult gij onderscheiden tussen "degen, die God dient, en die Hem niet dient". Want te dien dage zal dat onderscheid geopenbaard worden. (Mal. 3:15-18) Den zullen allen, die duidelijk zien, door het aanvaarden van Christus en Zijn offer des levens on der het Nieuwe Verbond, eeuwig leven hebben, want "omdat wij gehoopt hebben op de levende God, Die een Behouder is aller mensen, maar allermeest der gelovigen". 1 Tim. 4:10.

"En na de Dood het Oordeel"

Een tekst, die verband houdt met ons onderwerp, zoals blijkt uit de contekst en die veelvuldiger misverstaan en misbruikt wordt dan elke andere uit de Bijbel en als volgt luidt: "En gelijk het de mensen (Aäron en zijn opvolgers, die slechte beelden waren van de Hogepriester der nieuwe schepping) gezet is eenmaal te sterven (zinnebeeldig voorgesteld door het gedode dier) en daarna (als gevolg van die offeranden) het oordeel (Gods, het offer goed- of afkeurende), alzo ook Christus, eenmaal geofferd zinde (wat nooit weer herhaald zal worden) om valer ("een iegelijke") zonden weg te nemen, zal ten andere mala zonder zonde (zonder bezoedeling door de zonden die weggenomen werden noch ter herhaling van het zoenoffer) gezien worden door diegenen, die Hem verwachten tot zaligheid" om het eenwig leven te geven aan allen, die dit begeren op Gods voorwaarden van geloof en gehoorzaamheid. Hebr. 9:27, 28.

Telkenmale waarop een Priester het "Allerheiligste" op de Verzoendag binnen ging, waagde hij zijn leven. Want zo zijn offer onvoldoende was, zon hij sterven bij het gaan onder de "Tweede Voorhang". Hijzelf zou in het "Allerheiligste" niet ontvangen worden, evenmin zijn onvoldoende offer als verzoening voor de zonden van het volk. Elke mislukking dus betekende zijn dood en de veroordeling van allen, voor wier zonde hij poogde verzoening te doen. Dit was het "oordeel" bedoeld in deze tekst, hetwelk elk jaar geveld werd over de zinnebeeldige priesters en van het gunstig beoordeeld worden was het leven van de priester alsmede de jaarlijkse zinnebeeldige verzoening voor de zonde van het volk afhankelijk. [39]

Onze grote Hogepriester Christus Jezus ging onder de zinnebeeldige tweede Voorhang door, toen Hij op Celvaria stierf, en ware zijn offerande in een of ander opzicht of enigermate onvolkomen, zo zou Hij uit den dode niet zijn opgewekt, het oordeel van degerechtigheid zou tegen Hem gericht zijn. Doch Zijn opstanding ten derde dage bewees, dat Zijn werk volkomen was verricht en de beproeving van het goddelijk oordeel had doorstaan. Zie Hand. 17:31.

Een verdere aanwijzing dat onze Heer dit "oordeel" eens voor al garstig had doorstaan en dat Zijn offerande was aanvaard, is de zegen op Pinksteren, welke een voorproef was van de nog grotere toekomstige zegen en uitstorting op alle vlees (Joël 2:28), een waarborg of onderpand, dat hij (en wij met Hem) ten slotte zullen te voorschijn komen om het volk te zegenen de wereld voor wier zonden Hij volledige en aanneembare verzoening had gedaan.

Elke uitlegging van deze tekst, welke ten doel heeft hem toepasselijk te maken op het algemene sterven der mensheid, is volkomen tegenstrijdig met en staat los van de contekst.

Velen hebben op onbestemde wijze uitgezien naar een toekomstige betere tijd naar het verwijderen op de een of andere wijze van de vloek der zonde, dood en kwaad in het algemeen, maar hebben het lange toeven niet begrepen. Zij zien niet in, dat het offer van de "Groot-Verzoendag" nodig is en volbracht moet worden alvorens de heerlijkheid en zegen kunnen komen, evenmin zien zij, dat de Gemeente, de "uitverkorenen", het "kleine kaddeke" verbonden moeten zijn in het offer van Christus en in Zijn lijden, opdat ook zij zullen zijn in de heerlijkheid welke volgen zal. "Het ganse schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe, en verwacht (ofschoon in onwetendheid) de openbaring der (Gemeente) kinderen Gods". Rom. 8:19, 22.

Daar de zinnebeeldige priester bovendien zowel het "lichaam" als het "Hoofd" van de tegenbeeldige Priester, de Christus, voorstelt, geeft dat te kennen, dat elk lid der Gemeente dit "oordeel" moet doorstaan, dat ofschoon velen geroepen zijn, niemand uitverkoren zal worden als uiteindelijke aanneembare "leden" van de Christus, Lichaam, ranken van de ware Wijnstokm mits hij "overwinnaar" zal zijn getrouw tot de dood (Openb. 3:21). Niet dit zo iemand de volmaaktheid des vlezes zal bereiken, maar wel volmaaktheid van hart, van wil, van bedoeling. Hij moet zijn "rein van hart", de schat moet zuiver goud zijn, gelouterd in het vuur, ofschoon zijn huidig vat slechts een onvolmaakt sarden vat is.

Goddelijke aanneming moet worden geopenbaard.

"Een vuur ging uit van het aangezicht des Heren, en verteerde op het altaar het brandoffer en het vet. Als het ganse volk dit zag, zo juichten zij en vielen op hun aangezichten" aanbaden. Dit is dezelfde gedachten in andere vorm gegoten. Het vuur stelde voor Gods aanneming, en de erkenning daarvan door het volk toonde aan, dat de wereld het offer en zijn waarde in Gods ogen als de prijs van hun verlossing uit dood en graf zal erkennen en wanneer zij dit zullen erkennen zullen zij Jehovah en Zijn Vertegenwoordiger, de Priester, aanbidden.

Het is duidelijk, dat dit nog niet gebeurd is. God heeft Zijn aanneming van het offer van de Groot-Verzoendag nog niet geopenbaard, door vuur. Het volk heeft nog niet gejuicht en zij zijn nog niet op hun aangezichten vedergevallen in aanbidding voor de Grote Koning en [40] Zijn Vertegenwoordiger, Nean, de wereld ligt nog steeds in de boze (1 Joh. 5:19), de God dezer wereld verblindt nog steeds in meer of mindere mate bijna de gehele mensheid (2 Cor. 4:4), donkerheid bedekt nog steeds de aarde en grote duisternis het volk (Jes. 60:2), evenmin moeten wij uitzien naar de grote herstellingszegeningen in dit beeld voorschaduwd, vóór alle leden van de Gemeente, het "Lichaam" van de grote Hogepriester zullen zijn ingegaan, onder de Tweede Voorhang  (letterlijke dood) in het Allerheiligste door de verandering der opstanding. Evenmin zal deze "zegen" van het beeld in vervalling gaan vóór de tijd der grote benauwdheid. Den zal getnahtigd, ontnuchterd en vernederd de wereld der mensheid in het algemeen "wachten" en "uitzien" naar de grote Christus, het Zaad van Abra­ham om hen te zegenen en op te richten.

Op welke schone wijze vertellen deze beelden van een volledig rantsoen voor al den volke en van een wederherstelling en zegen voor allen mogelijk gemaakt!

In het beeld schijnt niets een onderscheiding te maken tussen de levenden en de doden en sommigen mogen geneigd zijn te veronderstellen dat na het beeindigen van de offeranden door de Hogepriester en bij de aanvang van de zegen slechts zij, die dan levend zijn een groot voordeel zullen verkrijgen. Doch daarop zeggen wij: Neen, in Gods oog zijn de Levenden en de doden gelijk, Hij spreekt van ze allen als van doden. Allen zijn gevallen onder het vonnis ded doods in Adam en de kleine levensvonk, welke men nu bezit, is in werkelijkheid maar een phase van sterven. Vanwege de zonde van Adam is dit geslacht dood, doch op het einde van deze tegenbeeldige "Verzoendag" zal de zegen van rechtvaardigmaking en leven allen worden aangeboden op voorwaarden welke allen zullen kunnen gehoorzamen en die het wenst kan weer van de Levengever, de Verlosser, alles krijgen, dat in Adam is verloren gegaan, n.l. leven, vrijheid, gunst bij God enz., zowel degenen, die de weg tot de dood toe zijn afgegaan als degenen, die nog toeven aan de grens "in de vallei van de schaduw des doods".

Dit te het doel van de tegenbeeldige zoenoffers, om "al den volke", de gehele mensheid te bevrijden van de heerschappij van zonde en dood en ze te herstellen in de volmaaktheid van wezen, hetgeen een hoofdvereiste is voor volmaakte gelijkzaligheid en verzoening met de Schepper.

Deze zegen moet komen tot alle geslchten des aardrijks door het zaad van Abraham. Dit is de blijde boodschap, welke Abraham gepredikt was, en waarvan wij lezen: "God van te voren ziende, dat Hij de heidenen (de gehele mensheid alle volkeren) uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft tevoren aan Abraham het evangelie (de blijde boodschap) verkondigd, zeggende: In u en in uw zaad zullen alle volkeren gezagend worden (gerechtvaardigd worden) . . . Hetwelk is Christus (in de eerste plaats het Hoofd en in de tweede plaats het Lichaam). En indien gij dan van Christus zift (leden), zo zift gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen" die bedoeld zijn, n.l. een van de zegenende klasse, het zaad van Abraham, dat alle geslachten des aardrijks zal zegenen. (Gal. 3:8, 16, 29) Maar dit "Zaad" moet voltallig zijn voor de zegen komt, zoals aangetoond werd in de juist besproken beelden, het zoenoffer moet volbracht zijn voor de zegeningen, die daaruit kunnen voortvloeien, kannen nederdalen.

De beperking, dat de Hogepriester alleen eens per jaar in het "Allerheiligste" binnen ging om verzoening te doen, moet niet opgevat worden, dat hij en de onderpriesters nooit daarin gingen in de volgende dagen, nadat de Verzoendag volledige verzoening voor de zonden had gedaan. Integendeel, de Hogepriester ging daarin heel vaak [41] in de volgende dagen, In het "Allerheiligste" ging de Hogepriester, wanneer hij van Jehovah navraag moest doen voor het welzijn van Ieraël, enz., met gebruikmaking van de borstplaat der gerechtigheid, de Urim en de Thummin. Wanneer zij de Legerplaats opbreken, wat vaak gebeurde, dan ook gingen de priesters binnen, hingen de "voorhangsels" af, wikkelden de Ark en al de heilige vaten daarmede in, aleer de Levieten vergund werden ze te vervoeren. Num. 4:5-6.

Voorts, wanneer een Israëliet de priesters een zoenoffer bracht (na beëindiging van de "Groot-Verzoendag" ‘s-offeranden), aten zij dit op in het "Allerheiligste". (Num. 18:10) Evenzo in het tegenbeeld, na de huidige "Verzoendag", zal het "Koninklijke Priesterdom" zich in het "Allerheiligste" of de volmaakte geestelijk toestand bevinden en aldaar de offeranden voor zonden door de wereld gebracht voor hun eigen overtredingen (niet voor de oorspronkelijke of Adamitische zonde,welke op de "Groot-Verzoendag" was uitgewist) aanvaarden (opeten). In die volmaakte geestelijke toestand zal het priesterdom ingelicht worden over alle zaken, zoals weergegeven wordt door de beslissingen en antwoorden aan Israël door de Urim en Thummim.

 

Table of Contents - Preface - Chapter 1 - Chapter 2 - Chapter 3
Chapter 4
Chapter 5 - Chapter 6 - Chapter 7 - Chapter 8
Index

Return to Dutch Home Page

 

Illustrated 1st Volume
in 31 Languages
 Home Page Contact Information